Blog

Niet opgeven

Gisterochtend sloeg ik de krant open en die opende met een kerstboodschap, een gedicht, van Freek de Jonge met de titel ‘blijf het verhaal vertellen.’ De strekking van het verhaal is dat we ‘het verhaal’ niet meer geloven, er is geen behoefte aan mysterie. De geest wordt verdrongen door materie, geld en consumptie. Of zoals hij schrijft:
Een rare tendens, waarom kunnen we wel geloven in de bitcoin en niet in God?

De bitcoin en God, het kan oneindig groeien op alleen maar geloof en in een oogwenk als een zeepbel in elkaar klappen. Onbegrijpelijk en ongrijpbaar. Wat er overblijft is als de man die gisterochtend bij ons langsliep en achteloos een sigarettenpeuk in de tuin gooide. De peuk rookte nog even onverschillig door, voor hij doofde.

Naast deze onverschilligheid zijn er de deze week gelukkig ook de verhalen over de meerderheid, mensen die onvermoeibaar en op de achtergrond (mantel)zorgen, vluchtelingen en asielzoekers opvangen en begeleiden, voedselbanken runnen, daklozen helpen en ga zo maar door.

De wereld is onttoverd, de magie en het mysterie worden uit het publieke domein geweerd. Gelukkig kan het niet uit onze harten verwijderd worden en zou ik zeggen, hou het vast en geef het niet op, of zoals Freek zijn gedicht eindigt:

Blijf het verhaal vertellen                 
De wereld kan niet zonder
en ieder pasgeboren kind
is behalve een mysterie
bewijs van een wonder
dat het leven steeds opnieuw begint

Mooie kerstdagen en een inspirerend 2018!

 

 

Vuurwerk

Vuurwerk! Nog even en het gaat weer los. De eerste ongeduldige bommen zijn al afgegaan. Daarnaast is er de discussie of het consumentenvuurwerk afgeschaft moet worden. Voorstanders van vuurwerk stellen dat het een traditie is en afschaffen betuttelend. Dat een paar zeurpieten het proberen te verpesten voor de meerderheid.
Tegenstanders van vuurwerk wijzen naar de schade, de slachtoffers en het toenemende geweld tegen hulpverleners.

Er werd afgelopen jaar voor 68 miljoen aan vuurwerk afgestoken maar hoeveel liefhebbers zijn dat er nu? Gemiddeld wordt er zo’n € 100 per persoon uitgegeven. Dat maakt dat er 680.000 liefhebbers zijn die graag vuurwerk afsteken. Uiteraard is er een veelvoud aan ‘mee kijkers’ maar die zal het over het algemeen worst zijn wie het lontje aansteekt.

Afgelopen jaar waren er 473 vuurwerkslachtoffers en werd er voor 11 miljoen aan schade aangericht. Duizenden hulpverleners zijn, tegenwoordig met gevaar voor eigen leven, een hele nacht onderweg om het feest in goede banen te leiden.

Als op een mooie dag in april 473 slachtoffers zouden vallen bij welk ongeluk of aanslag dan ook, zou het land in rep en roer zijn. Dagenlang zou deze ramp de voorpagina’s halen, de experts zouden op tv niet aan te slepen zijn en in ons collectief geheugen zou dit een schrijnend litteken worden.
Dit jaarlijkse nachtelijke slagveld wordt op dag erna afgedaan met: ‘de nieuwjaarsnacht is naar omstandigheden rustig verlopen.’

We leven in een democratie en een kenmerk van goede democratie is dat je rekening moet houden met minderheden maar waarom hoeft deze minderheid geen rekening te houden met de grote meerderheid? Een voorbeeld, op mijn werk gaat maar liefst 50% het liefst in een hutje op hei zitten met oud en nieuw, weg van de herrie! Collega R. doet dit al jaren letterlijk en ik zou het graag ieder jaar doen. De andere twee hebben er minder moeite mee.

Wat ik me nu afvraag is, nu we het toch over democratie hebben, waarom houden we geen referendum over vuurwerk? Lijkt me  een goed voornemen.

 

Het is nu eenmaal menselijk

In Egypte zijn zeker 235 mensen omgekomen bij een aanslag. Het betreft Soefi’s, een mystieke gematigde stroming van de Islam. Het soefisme duidt op een innerlijk spiritueel leven. Het begrip ‘soefi’ duidt iemand aan wiens hart gezuiverd is van de vervuiling van deze wereld. Oftewel vredelievende mensen die gericht zijn op innerlijke ontwikkeling en zelfverwerkelijking.
Zij zijn meedogenloos geëxecuteerd door mannen die vinden dat iedereen die niet volgens de regels van ‘hun ware islam’ leeft een afvallige is en zonder aanzien des persoons, afgemaakt ‘moet’ worden.

Ratko Mladic, die onomstotelijk bewezen verantwoordelijk is voor mishandeling, verkrachting en moord van o.a. de 8.000 omgebrachte jongens en mannen van Srebrenica, is veroordeeld tot levenslang. De oud generaal is buiten zichzelf van razernij over het onrecht dat hem wordt aangedaan en gaat in hoger beroep.

In Nederland worden jaarlijks 119.000 kinderen fysiek, geestelijk of seksueel mishandeld.

Zygmunt Baumann, Pools-Britse filosoof (1925-2017), zei over de Holocaust, het industrieel vernietigen van een afwijkende minderheid, die in brede kringen als onmenselijk werd betiteld dat de Holocaust juist heel erg menselijk is.

Hanna Arendt, Duits-Amerikaanse Joodse filosofe (1906-1975), noemde na het bijwonen van het proces tegen Eichmann het kwaad banaal. Eichmann was geen personificatie van de duivel maar een ambtenaar die onder invloed van een ideologie, als radertje in een systeem, akelig nauwgezet ‘zijn taak’ uitvoerde, een boekhouder.

Een oude indiaan gaf zijn kleinzoon onderricht over het leven en levensgeluk. ‘Binnen in mij is een gevecht gaande.’ zei hij tegen de jongen. ‘Het is een gevecht tussen twee wolven. De ene wolf is slecht. Hij staat voor woede, jaloezie, hebzucht, verwaandheid, schuld, wrok, leugens, valse trots, superioriteit en ego.’
Hij ging verder: ‘De andere wolf is goed. Hij staat voor vreugde, vrede, liefde, hoop, vrede, nederigheid, vriendelijkheid, vrijgevigheid en compassie. Binnen in jou woedt dezelfde strijd, datzelfde geldt voor ieder mens.’

De kleinzoon dacht enkele ogenblikken na en vroeg: ‘Maar opa, welke wolf wint dan het gevecht?’
De oude indiaan glimlachte en antwoordde. ‘Degene die jij voedt wint het gevecht…’

 

 

 

Gevangen

Vandaag een heel katern over slavernij. En dan de slavernij waar onze voorvaderen verantwoordelijk voor waren. Andere mensen zien als handelswaar, ze ketenen en systematisch ontmenselijken. Het is niet vreemd dat generaties later hun ‘kinderen’ alsnog in opstand komen. Ik moet bekennen dat het me ook een jaar heeft gekost om in te zien dat ‘Zwarte Piet’ een pijnlijke belediging is voor hen die afstammen van slaven.

Zwarte Piet die neergezet wordt als het ietwat dommige hulpje van de wijze blanke bisschop. Pieten die in vreemdsoortige apenpakjes hun clowneske capriolen uit mogen halen. Slavernij die generaties later nog ervaren wordt simpelweg omdat wij nooit schuld hebben bekend, excuses aangeboden en die ander als gelijke zijn gaan zien en als zodanig behandelen. Zolang dat niet gebeurt, zal de onderhuidse polemiek blijven voortwoekeren als een veenbrand.

Ook een verhaal over de prijs die je betaald als je uit een, in dit geval Joodse, orthodoxe gemeenschap stapt. De mentale en sociale gevangenis die kenmerkend is voor gesloten, meestal religieuze, gemeenschappen. Het is veilig en warm om er deel van uit te maken maar de regelgeving en sociale druk om aan die verwachte normen te voldoen kan verstikkend zijn of zo worden ervaren. Eruit stappen betekent verbannen worden. Vanuit de het bekende, veilige omgeving sta je alleen in een maatschappij waar jezelf moet zien te redden.

De vrijheid van het neoliberalisme. Als je binnen die vrijheid de capaciteiten, de (financiële, fysieke en mentale) mogelijkheden, de creativiteit en de sociale vaardigheden bezit die je nodig hebt om je hierin te handhaven, en wat je doet als zinvol ervaart, dan is het een prachtig systeem. Zo niet dan kun je je houvast verliezen en dan wordt vrijheid een oneindige, kille ruimte. Het risico van verslaving en/of eenzaamheid ligt op de loer. Gevangen genomen worden door jezelf. Wie wil je nog redden?

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Echte spieren

Het is een overweging en eigenlijk ook weer niet. Ik bekijk mijn schema van de laatste weken en doe er, bij een drietal oefeningen, twee kilo bij. Rustig opbouwen en beginnen met tien herhalingen. Ik pak mijn water, handdoek en trainingsschema en loop naar de bank en zoek de benodigde ‘dumbbells.’
‘Hoi, wij hebben elkaar nog  niet ontmoet?’
‘Volgens mij niet nee.’
‘Marieke.’
‘Willem.’
Voor me staat een jonge vrouw waarnaast ik me een beetje in mijn sportkleren voel staan. Ik kan even niets beters bedenken dan mijn buik inhouden.
‘Wat ga je doen vandaag?’ Tegelijk met de vraag pakt ze mijn trainingsoverzicht.
‘Ik heb van Tim een paar schema’s gekregen en  deze,’ ik wijs hem aan, ‘ga ik proberen. Zwaarder dan de vorige keer dus even kijken hoe ver ik kom.’
‘Oh ok.’ Een lach en twinkelende ogen.
‘Ik ben benieuwd wat jij kan.’

Ach ja, Plato waarschuwde al tegen sportverdwazing en ik moet denken aan de bioloog Midas Dekkers die zijn ‘sportende’ medemens afdoet als ‘Homo adidas.’ Sporten is volgens hem ongezond en ook onnatuurlijk.
Hij veegt flink de vloer aan met een paar mythen over sport en bewegen. Dat sport natuurlijk zou zijn (geen enkel dier doet aan sport), dat het zou verbroederen (‘make love, no sports’, aldus Dekkers), dat je er ouder van zou worden (statistisch is dat nooit gebleken). Gezonder dan? Talloze mensen strompelen met een sportblessure rond. Dunner? Welnee. Kijk naar Amerika. In het land waar het meest gesport wordt, zijn ook de meeste dikkerds. Sporten is iets voor masochisten.
Wat kan ik, doe ik, onder deze charmante aandacht? Het wat wijzere stemmetje in me zegt: ‘gewoon beginnen, laat je vooral niet gek maken.’ Echter, ergens vanuit mijn wezen borrelt iets op wat de ene als wilskracht, een ander als fanatiek en een derde als een beetje uitsloverig zou omschrijven. Wat het ook is, het is onontkoombaar.

Alle oefeningen herhaal ik braaf vijftien keer in plaats van de tien, hooguit twaalf keer, die ik me had voorgenomen.
‘Goed zo, Willem. Je techniek is ook goed!’ Een aanmoediging die werkt, ik groei. Figuurlijk wel te verstaan.
‘Die dead lift (de naam zegt alles), gaat wel heel gemakkelijk, die kan wel zwaarder.’
Ik kijk naar de zwaardere ‘kettlebell’, dat zijn inderdaad een soort koebellen maar dan wel volgestort met gietijzer. Koebellen die steeds zwaarder worden, vier kilo per formaat. De zwaarste is 44 kg, ik zit net onder de helft.
‘Ok, volgende week zal ik hem proberen’, geef ik voorzichtig tegengas.
Marieke knikt instemmend om me een paar minuten later doodleuk terug te pakken.
‘Weet je, je kan best een stap overslaan.’ Ze vult het in mijn schema voor volgende week in, acht kilo zwaarder.
Tijdens mijn ‘lunges’, waarbij al uitstappend je bovenbenen verzuren, komt Jan-Willem erbij staan. Jan-Willem is het sportschooltype waar je omheen moet lopen als je hem tegenkomt, heel sympathiek maar vreselijk breed.
‘Voel je het al branden?’
‘Ja, dat kun je wel zeggen.’
‘Goed zo!’ De grijns is veelzeggend.
Dan komt toch het einde in zicht, de ‘farmerwalk,’ dat is sjouwen met twee hekken verzwaard met gewichten, gecombineerd met drie keer vijftien herhalingen opdrukken.
(vijftien keer? drie maal vijftien keer opdrukken? ‘Ken jij dat wel?’ hoor ik u denken. Nee dat kan ik niet, althans niet alle vijftien in de ‘juiste’ uitvoering. Maar als je op je knieën gaat zitten zodat je alleen je bovenlijf hoeft op te drukken, kun je dat beduidend langer volhouden.)
‘Kom op Willem, nog vijf keer.’ Marieke telt mee terwijl mijn armen harder beven dan de bodem in Groningen en ik duw me braaf die vijf keer omhoog.
‘Hee, hartstikke goed, je hebt het gehaald!’
Ik kan niet meer reageren want ik lig uitgeteld op mijn snufferd.
Terwijl ik moeizaam overeind kom wenst ze me een fijne avond toe.
Ik lach als een boer die naar de laatste melkprijzen kijkt. Fijne avond?

Op mijn fiets, op weg naar huis, komt al mijmerend het beeld van Midas Dekkers in me op. Het wat droeve gezicht kijkt me mistroostig aan.  ‘Sjouwen met gietijzeren koebellen en stalen hekken in je vrije tijd, puffend als een lekke band?’  Ik hoor het hem zeggen met die temerige stem.
Dan denk ik weer aan het moment dat het allemaal begon en me door collega’s voorzichtig enthousiast liet maken. Samen sporten, gespierde armen en een wasbordje, het leek me wel wat. Zonder gêne in je zwembroek rond kunnen lopen. Het leek zo mooi toen ik echtgenote meedeelde dat ik na mijn werk ging werken aan een platte buik en échte spieren. Ze nam me even op en zei droogjes: ‘echte spieren? Lachspieren zeker. En nog wat, als je maar wel op tijd thuis bent voor het eten.’

 

In verwarring

De koude, eindeloze westenwind, de zon die haar takken niet bereikt, de schrale grond waaruit ze vertwijfeld voedingsstoffen probeert te halen.
Als ze wist wat wanhopig was dan was ze het geweest.
De Japanse esdoorn blijkt haar stemming te voelen. ‘Geef het niet op, nog even en de zon komt terug. Dan gaan onze bladeren weer groeien, dan kan ik je uit de wind houden en kom je weer in bloei.’
Als ze wist wat glimlachen was zou ze het nu doen.
De wind geeft er niet om en beukt extra op haar takken.
Een rode kater sluipt de tuin in, graaft een gat, heeft schijt aan hen.
Als ze wist wat kou was dan zou ze het nu koud hebben.
Zat ze maar binnen, zoals die man daar voor het raam met zijn krant, verdiept in het nieuws.
Als ze wist hoe behaaglijk het daar binnen was, dan was ze jaloers geweest.
Als ze wist wat die man iedere dag las, dan was ze blij geweest dat ze een azalea was.
Al wist ze niet dat ze dat was.
Ze voelt weer dat haar buurman zich over haar buigt.
‘Laat toch, hij kan bewegen en lopen maar wij zijn geaard.’
‘Dat kan wel maar ik heb honger en na iedere donkere periode met wind heb ik minder knoppen, wordt ik minder mooi.’
Ze besefte wel dat haar bloemen haar mooi maakten.
‘Ooit werd ik bekeken, nu word er alleen nog naar me gegooid.’
De tuin ligt inderdaad bezaaid met snoeppapiertjes en vooral sigarettenpeuken.
De man kijkt op uit zijn krant en staart door het raam naar zijn kleine voortuintje. Het ziet er troosteloos uit. De storm brengt nu ook regen mee. De kale planten huiveren in het geweld. Het vijvertje ligt vol met dood blad en de rode kater van de buren sluipt weer weg.
Hij kijkt weer in de krant en leest  over IS, terreur, burgeroorlogen, de euro en machthebbers. Machtwillers noemt de man dat.
Hij leest dat er jaarlijks steeds meer mensen in de war raken. Niet raar, bedenkt de man. Er is zoveel om over in de war te raken. Zolang ik nog gezond ben, werk heb en in mijn eigen voortuin kan knutselen. Zolang ik in de neoliberale economische dwangbuis, waarin ik langzaam geperst ben, nog rendeer, dan gaat het goed. Maar wat als ik niet meer het vermogen heb om aan te haken? Wat als ik door werkloosheid, ziekte of ouderdom niet meer mee kan?
Hij kijkt naar zijn tuintje dat nodig verzorgd en opgeknapt moet worden. Waarom uitstellen? Hij zoekt zijn tuinspullen op en gaat aan het werk. Hij maakt de grond los, ruimt het vuil weg en geeft de tuin een nieuwe laag verse aarde.
De verse aarde en de liefdevolle zorg doen de azalea goed, de man komt los van de sombere dagelijkse verwarring. En al weten ze het niet van elkaar, even zijn ze samen één.

 

Aftakelen

De schrijver F. Starik schrijft in dagblad Trouw stukjes over zijn dementerende moeder in de rubriek ‘moeder doen.’ Onlangs schreef hij een stukje over het lichaam van zijn moeder. “Het boezemt me afschuw in”, schreef Starik. “Ik  zal haar morgen in een rolstoel door het ziekenhuis moeten duwen. Moet ik haar dan ook uit bed sjorren? Dat verfrommelde restje mens? De vorige keer droeg ze een soort ziekenhuisschort. Wit vlees, blauw dooraderd . Ik durf dat niet aan te raken.”

Wat je er ook van  vind, eerlijk is het wel. Dan komt die vraag vanzelf  bij je terug. Wat als het moment komt dat mijn ouders, inmiddels allebei 85, verzorging nodig hebben? Een paar weken geleden kreeg ik het telefoontje dat mijn moeder opgenomen was in het ziekenhuis met een hartinfarct. Dan wordt van het ene op het andere moment 58 jaar huwelijk uit zijn evenwicht getrokken. Meer dan met mijn vader heen en weer naar het ziekenhuis rijden, heb ik niet gedaan.  Het was loodzwaar, waarschijnlijk omdat ik in ouders mijn eigen voorland zie.

Als schrijver, beetje dichter, zoek ik toch naar de, mooie, metafoor. Het leven als de seizoenen. Het voorjaar, het nieuwe leven, bruist in al zijn haarvaten. Het jongen leven is kleurrijk, energiek, zorgeloos en onsterfelijk. Dan de zomer waarin het leven zich ontbolstert. Relatie(s), carrière, je sociale leven en zo mogelijk een gezin. Je zit in de meest dynamische periode van het leven. Dan komt het moment dat de herfst in zicht is en hoop je op een eindeloos lange nazomer. Het leven als ‘God in Frankrijk, of Spanje’ van de ‘pensionado.’ Kinderen het huis uit, financiële ruimte, lichamelijk nog behoorlijk  fit. Dan de herfst, voor mij nu nog het mooiste seizoen. De kleur, het licht, we gaan letterlijk en figuurlijk naar binnen waardoor het leven ‘verstilt.’

De schoonheid van het verval, wijsheid in jaren, mooi in woorden te vatten als je zelf nog gezond en fit achter je computer zit. Maar wat als je afhankelijk in een rolstoel zit? ‘Verworden ben tot een afschuwwekkend, verfrommeld stuk wit vlees, blauw dooraderd.’  Wat als je  eruit ziet als een verschrompelde aardappel inclusief de spruiten die overal uitgroeien, je economisch een blok aan het been bent, teveel geld en energie kost?

Over Starik stond afgelopen zaterdag ook een interview in Trouw met als kop ‘Onmacht onder woorden gebracht.’ Hij zegt daar over zijn moeder; “een heel leven is voorbij. Ooit was dit een jonge vrouw, met kinderen, ambities. En met het verstrijken van de jaren flikkert het langzaam uit je handen.” Mijn moeder is inmiddels weer thuis na een geslaagde dotterbehandeling. Het evenwicht is wankel, maar hersteld. Haar ziekenhuisopname was achteraf een kille herfstbui, een nare droom waar je gelukkig nog uit ontwaakt.

Ziekte, aftakeling van ouders die je confronteert met je eigen aanstaande herfst, kleurrijk en gloedvol tot je je autonomie moet loslaten. De confrontatie met je eigen onmacht, de onzekerheid over de zekerheid die ooit in je leven komt, aftakelen.

Het is zondagmiddag, de zon komt door en de tuin licht prachtig op, een winterkoninkje hipt over de pergola. Twee boeken staren me verwachtingsvol aan. De herfst is mooi vandaag.

Koningsliedvirus

Moet jij ook niet een stukje bloggen over het koningslied? Een vraag van collega R. afgelopen maandag onder de koffie. En inderdaad had ik ook wel een mening over deze mislukte polderpopsong die na een korte maar heftige tweetoorlog verzoop in een virtuele Hollandse waterlinie. Vanavond toch maar even doen, bedacht ik.

Dat voornemen verdween na het nuttigen van een pannetje opgewarmde curry, overgehouden van het weekend. Eigenlijk voelde ik het direct, je wil het echter niet weten. Je gaat op de bank zitten op zoek naar een comfortabele houding, je neemt geen koekje bij de thee, je besluit dan om een keertje ‘lekker’ vroeg naar bed te gaan. Als je dan uiteindelijk ligt weet je dat het hopeloos is. ‘Schat, wil je een emmer voor me neerzetten? Leg er ook maar een washandje bij.’

Er zijn meer zaken die me moeizaam afgaan, overgeven neemt een prominente plaats in op dat lijstje. Niks vervelender dan misselijk zijn en dan moet het eruit. Er zijn zat mensen die doen ‘blop’ en het ligt in de emmer of wc pot.  Na een wanhopig uurtje gaat het niet meer en snel ik naar de wc. Ik hang boven de pot en mijn maag maakt tot drie maal een venijnig pijnlijke peristaltische beweging. Bewegingen die begeleidt worden door een angstaanjagend kokhalzen dat diep uit mijn ingewanden komt. Verder komt er niets. Zwetend hang ik moedeloos boven de toiletpot. Ik vraag me af wat erger is, dit of een milde steniging.

De dag  is alweer flink begonnen als ik boven de emmer hang. Helaas heb ik de emmer deels gemist en zit nu met mijn knieën in de prut. Ik heb al een paar keer geprobeerd echtgenote te roepen, die reageert niet. Dan ben ik blij dat ik weliswaar geen kind van de 21e eeuw ben, maar er wel in leef. Op mijn nachtkastje ligt mijn slimme telefoon en die brengt uitkomst. Moet ik wel een keuze maken. Zal ik een app sturen, een berichtje, een tweet of even skypen? Een foto maken en meesturen kan natuurlijk ook. Zet ik die op facebook, niet alle dagen zijn feest tenslotte. Nog beter, een foto met een tweet; ‘dit moet ik van het gezeur over het #koningslied.’ Zoiets.

Uiteindelijk lijkt bellen me het meest praktisch. ‘Sorry lieverd, ik had problemen met mikken, beter gezegd, de emmer is te klein. Heb je een sopje voor me?’ Echtgenote reageert niet enthousiast, komt er zo aan. Even later vanaf beneden. ‘Nog even geduld hoor, R. staat voor de deur.’ Ach ja, collega R. komt papieren halen voor een zending die vandaag weg moet en die in mijn tas zitten. Het klinkt gezellig aan de deur, gelukkig houden ze het kort. Ik besluit maar op bed te gaan zitten, het wordt wel heel oncomfortabel op de koude ‘natte’ laminaatvloer. ‘Momentje nog hoor!’ Junior gaat naar school en die wil ze uitzwaaien. Gelaten wacht ik af, eerlijk gezegd overheerst de opluchting. Net zo goed als dat je weet dat het fout zit, weet ik nu ook dat ik het kwijt ben en het ergste achter de rug is. Eindelijk hoor ik echtgenote op de trap en gaat de deur open. Ze schuift een emmer naar binnen. ‘Sorry, ik kan er écht niet tegen.’ De deur gaat weer dicht.

Het valt nog niet helemaal mee en pas op woensdag krabbel ik een beetje op. Dan ’s middags voelt echtgenote niet zich lekker en de emmer wordt weer opgezocht. Als ‘s nachts jongedame zich ook meldt hebben we twee emmers in bedrijf. Nog een gelukje dat we die hebben. De bedorven vis blijkt dus een venijnig virusje te zijn. Gelukkig zijn we de volgende ochtend het emmertjesstadium voorbij. Want laten we wel wezen, of het nu gaat over het koningslied of over het virus, ik ben het inmiddels spuugzat.

 

IJskonijn

Deze dagen zijn er weer heel wat huisdieren uitbesteedt aan buren en familie. Een verantwoordelijke taak, want wie wil zijn buren of familie na een mooie vakantie ontvangen met de mededeling dat de vakantie van hun huisdier minder voorspoedig is verlopen. En als je dan de cavia, hamster of konijn hebt gevonden met ‘de pootjes omhoog,’ wat doe je dan met dat dier? Laatst hoorde ik van een buurvrouw die het konijn waar ze voor moest zorgen, en die dit niet overleefde, maar in de vriezer had gelegd. Dan konden de buren bij thuiskomst Snuffel nog een keer zien en afscheid nemen.

Wat zou er gebeurd zijn dat Snuffel het eind van de vakantie niet gehaald heeft? Is het een kwestie van ondervoeding, óf overvoeren of toch een ‘natuurlijke’ dood? Misschien is het wel eenzaamheid geweest. Stel je voor; op een mooie morgen komt het kleine of grote baasje bij je hok om je gedag te zeggen. ‘Dag snuffel, we gaan op vakantie, tot over drie weken.’ Je krijgt nog wat water en brokken en weg zijn ze. Je kijkt om je heen in je hok van een halve meter bij een halve meter. Dan zit je daar de hele dag door de tralies heen te kijken. Iedere dag komt er wel even iemand langs, een vreemd baasje. Die vult je etensbakje, geeft je wat water en vooruit, een blaadje sla. Hok weer dicht, baasje weg. Geen praatje, geen gekroel door je vacht.

Het is stil en warm. De wanden van je kleine hok komen op je af. Je zit te verpieteren in je eigen keutels. Daar wordt je somber van ook als konijn. Je verveelt je te pletter. Geen aandacht, pyjamadagen, minimale zorg, amper bezoek. Het lijkt hier wel een verpleeghuis denkt Snuf.

Je zal maar oud en hulpbehoevend zijn. Alleen op een kamer, okay wel met een tv, je wordt verzorgd, krijgt je eten en af en toe komt er iemand langs. Een enkele dag krijg je geen verzorging, de pyjamadag. Lastiger wordt het als de zelfstandige toiletgang een probleem gaat worden. Voor de plas een katheter en voor de poep, voor de zekerheid, een ‘inco.’Want dan gaat het gebeuren dat als jij moet poepen, die ene overgebleven zuster voorlopig geen tijd heeft. ‘Even ophouden mijnheer de Vreede!’ En dan doe je zo verschrikkelijk je best maar het valt niet tegen te houden. Zowel de zuster als je sluitspier laten het afweten. Snuffel heeft dan wel geen tv, hij heeft wel achterpoten om zijn keutel onder het stro te vegen.

Ergo, je zal dement zijn in die aankomende droevige dagen. Op een ochtend wordt je wakker in een vreemd bed in een volledig onbekende kamer. Net als iedere ochtend trouwens. De deur gaat open en dan staan er een paar mensen aan je bed. Je herkent ze niet  maar ze  lachen vriendelijk naar je, te vriendelijk. ‘Goedemorgen mijnheer de Vreede, we gaan u even een spuitje geven. Maakt u zich geen zorgen, u voelt er niets van, het is zo voorbij.’

‘Goedemorgen Mevrouw, u spreekt met Mevrouw Edelbloed. Ja inderdaad van huize Avondrood. Ik bel in verband met uw vader. Ja, er is wat aan de hand, of eigenlijk nu niet meer. Nee, hij is vanochtend in alle rust overleden. Ja, dat is even schrikken, dat begrijp ik. Maar ja, hij is negentig geworden, een mooie leeftijd toch? Ja inderdaad, het blijft wel uw vader. Wij zullen hem ook missen met zijn grapjes. Ja dat klopt wel, voornamelijk hele flauwe. Altijd al zegt u? Ach ja, is hij toch een beetje dezelfde gebleven. Hij heeft toch ook ooit een boekje geschreven? Nou wat mooi! Dan heeft  u voor altijd een tastbare herinnering aan hem. Wat zegt u? Oh, twee dozen vol. Misschien kunt u ze uitdelen op de begrafenis, als aandenken? U verwacht niet dat er veel mensen komen en die komen hebben het allemaal al, minstens twee stuks. Wat zonde nu. Misschien is het goed dat u even langskomt, dan kunt u hem zien. Dat gaat niet, u bent op vakantie. En u komt niet terug, nee dat begrijp ik. En u broer, ook weg? Één momentje mevrouw.’

‘Verdorie, weer eentje waar alle familie van op vakantie is, hebben we nog plek?’

‘Dat zal niet meevallen, maar waarom doe je dit in hemelsnaam in augustus?’

‘Wat moet ik anders? Er is geen geld meer, ik kan ze toch niet laten vervuilen en verhongeren? Daarbij, ze merken er niets van. Bovendien is de familie ook verlost van die verplichte, zinloze bezoekjes.’

‘Dat kan allemaal wel, maar handig is anders. We moeten ze gaan stapelen, een andere mogelijkheid zie ik niet. Het is niet anders.’

‘Dag mevrouw, daar ben ik weer. We leggen hem zolang wel in de vriezer. Kunt u hem nog even zien als u terug bent van vakantie.’

 

Foute keuze

Auke Siebe Dirk schrijft een gedicht over zijn oudoom, Dirk Siebe. Dirk Siebe was negentien toen hij zich aansloot bij de Waffen-SS. Op militair gebied een elitekorps dat berucht is geworden vanwege zijn meedogenloze misdaden. Het gedicht van Auke is, was inmiddels, uitgekozen om voorgedragen te worden tijdens de dodenherdenking van 4 mei.

Het CIDI (informatiecentrum over Israël) maakte bezwaar ‘tegen de aandacht die die met dit gedicht uitgaat naar deze man die zich aansloot bij de nazi’s. De grens tussen goed en kwaad vertroebelt hierdoor.’ Het Auschwitz-comité reageerde geschokt en dreigde de herdenking zelfs  te boycotten.

Onder deze druk is Auke, met zijn gedicht,  geschrapt uit het programma.  Jammer, wat mij betreft. Zonder voorbij te willen gaan aan het Joodse trauma, had Auke ook de mogelijkheid moeten krijgen om het familieverdriet, wat bij hem op de schouders is gelegd, te helpen verwerken.

Vorige week heb ik een workshop gevolgd  over ‘sterven met de oorlog.’ Daar heb ik een beetje inzicht gekregen wat een trauma is en hoe moeilijk het te verwerken. Voor de nabestaanden van de Holocaust is het trauma zo groot dat het nog generaties kan duren voor het verleden, het verdriet, een plekje heeft. Een verdriet wat overgaat van ouders op kinderen. Kenmerk van een trauma is dat als je de gebeurtenissen/verschrikkingen in volle omvang ‘toelaat’, de emoties overweldigend en niet te hanteren zijn. In die zin is het zwijgen en wegstoppen van emoties door o.a. concentratiekampslachtoffers en nabestaanden een logische reactie. Een kwestie van overleven. Hun reactie op het gedicht meer dan begrijpelijk. Het trauma is nog te groot om ruimte te kunnen geven aan de nabestaanden van ‘daders.’

Maar toch is het goed om te weten dat Auke ook een trauma heeft meegekregen. Dat Auke het verdriet en de pijn van zijn familie, via zijn vernoeming, heeft geërfd. Zoals iedere dader heeft de oudoom van Auke een persoonlijke geschiedenis waaruit zijn keuze voortkomt. Een keuze die genadeloos is afgestraft  aan het oostfront. Oorlog is genadeloos voor alle partijen, voor ieder individu dat erin betrokken raakt. Direct of als nabestaande. Auke probeert met zijn gedicht het verdriet van zijn familie een plek  te geven. Zijn oudoom Dirk Siebe hiermee te gedenken. Een laatste rustplaats voor het trauma.

Want hoe schuldig is  een jongen die het avontuur zoekt? Geïmponeerd  door het Duitse machtsvertoon zich aansluit bij een supermodern leger met een  enorme uitstraling en dynamiek. Het moderne Rome dat de wereld ging veroveren. het superieure arische ras zou heersen over de wereld. Weg uit de Groningse klei en armoede en je aansluiten bij de winnaar.

En al die Nederlandse jongens die, vlak na de oorlog, naar Indonesië gingen om te vechten tegen de opstandelingen  daar. Waren die schuldig? En de jongens in Srebenica die al die jongens en mannen af lieten voeren? De bevolking die ze moesten beschermen. Waren die schuldig?

Het zijn omstandigheden en situaties die (oorlogs)daders en (oorlogs)slachtoffers creëren. Wie ben ik om daarover te oordelen. Daarom hier het gedicht van Auke;

 

Foute keuze
Mijn naam is Auke Siebe Dirk

Ik ben vernoemd naar mijn oudoom Dirk Siebe

Een jongen die een verkeerde keus heeft gemaakt

 

Koos voor een verkeerd leger

Met verkeerde idealen

Vluchtte voor de armoede

Hoopte op een beter leven

 

Geen weg meer terug

Als een keuze is gemaakt

Alleen een weg vooruit

Die hij niet ontlopen kan

 

Vechtend tegen de Russen

Angst om zelf dood te gaan

Denkend aan thuis

Waar Dirk z’n toekomst nog beginnen moet

Zijn moeder is verscheurd door de oorlog

Mama van elf kinderen waarvan er vier in het verzet zitten

En een vechtend aan het oostfront

Alle elf had ze even lief

 

Dirk Siebe kwam nooit meer thuis

 

Mijn naam is Auke Siebe Dirk

Ik ben vernoemd naar Dirk Siebe

Omdat ook Dirk Siebe niet vergeten mag worden.

 

Kledingsverschil

Min  twaalf graden geeft ons ‘weerstation’ aan. Siberisch koud is het vanochtend. Dat gaat een bar fietstochtje worden. Nou ja, zolang ik maar geen ijsberen tegenkom. Ondertussen komt jongedame de kamer in. Ze ziet er zomers uit in een hemdje met kant  en een vestje. Hoe je zo’n vestje noemt weet ik niet, maar je kijkt er dwars doorheen, zo dik is het. Een paar seconden kijk ik het tafereel aan en kan me niet bedwingen de stupide vraag te stellen; ‘is dat niet een beetje dunnetjes allemaal?’ Jongedame kijkt me aan zoals zestienjarigen dat feilloos kunnen. Een minzame, ongeduldige en ietwat geïrriteerde blik. Tot tien tellen doet ze ook al enkele jaren niet meer dus ze barst los. ‘Wat denk je wel? Omdat jij al een week in hetzelfde vest rondloopt hoef ik dat niet te doen. Ik wil er graag leuk uitzien en het liefst iedere dag iets anders. Dat is al onmogelijk want ik heb niks om aan te trekken. Daarbij, ik ga met de randstadrail, weet je wel hoe warm en benauwd daarbinnen is? Weet je wel hoe smerig het is met al die hoestende en meurende op elkaar gepakte mensen? De rest van de tirade doorspekt met enige krachttermen zal ik u besparen.

Tja, inderdaad, ik loop al ruim een week in hetzelfde vest. Warmte en comfort is me te belangrijk. Avonds als ik naar bed ga kan ik het vest inmiddels  neerzetten. Dus daar heeft ze een punt. Dat haar kast leeg is klopt ook. Het gros van haar kleding ligt als een gigantische molshoop op wisselende locaties in haar slaapkamer. En met het openbaar vervoer naar mijn werk? Liever niet. Ik zie dagelijks de volle perrons met lijdzaam wachtende forensen. Ze doen me denken aan pinguïns zoals ze daar staan, diep weggedoken in hun jassen. Schijnbaar doelloos maken ze hun tijd vol in afwachting van de schaarse bussen en treinen. Nee, geef mij maar de fiets. Tot afgrijzen van jongedame trek ik een regenbroek aan, werkt perfect isolerend bij deze temperaturen. Vervolgens doe ik mijn jas aan, pet op en vandaag mijn capuchon erover heen. Handschoenen aan en ik zou zo meekunnen op een noordpoolsafari.

Jongedame trekt haar jas aan, sjaal om en doet haar canvas gympen aan. Ze kijkt me uitdagend aan. Ik zeg niks. Jongedame stapt de voordeur uit en ik de achterdeur, allebei ervan overtuigd dat de ander er helemaal niets van snapt.